Gedenksteen Het Nieuwe Lyceum

TER HERDENKING

TOESPRAAK GEHOUDEN DOOR A. VAN ZUTPHEN, RECTOR VAN HET NIEUWE LYCEUM TE HILVERSUM, OP 14 FEBRUARI 1948 VOOR DE PLECHTIGE ONTHULLING VAN DE GEDENKSTEEN IN HET SCHOOLGEBOUW, VERMELDENDE DE NAMEN DER LEERLINGEN EN OUD-LEERLINGEN DIE IN DE JAREN 1940-1945 HUN LEVEN LIETEN IN DE STRIJD TEGEN DE ONDERDRUKKER.

Nadat in de plechtigheid, die de viering van het 12½ jarig bestaan der school inleidde, namens de leerlingen en oud-leerlingen een gedenksteen was aangeboden, sprak de Rector van Het Nieuwe Lyceum aldus:

Dames en Heren,

Gaarne aanvaard ik namens de school de gedenksteen en breng ik dank aan de leerlingen én oud-leerlingen die dit geschenk mogelijk maakten.
Van ‘t begin af aan, toen onze plannen vorm begonnen te krijgen, stond het voor ons vast, dat de namen zodanig zouden worden aangebracht, dat ze steeds midden in ons schoolleven zouden staan. De plaats waar de steen dan ook voorlopig ingemetseld is, werd door deze gedachte bepaald, In ‘t centrum van de school, waar we allen dagelijks vele malen langs gaan, zal ons oog steeds weer kunnen vallen op hun namen en zullen we soms een naam voor ons heen prevelen en even een herinnering zien opdoemen.
De plaats is niet bepaald door de eisen der aesthetica. Dit zou in dit gebouw wel mogelijk geweest zijn, maar dan op een plek, waar we niet dagelijks langs komen.
De uitvoering van de steen is, zoals we het gewenst hebben nl. zo eenvoudig mogelijk. Wij zijn dankbaar, in de beeldhouwster Mej. Rueter iemand gevonden te hebben, die onze bedoeling zo goed in practijk bracht.
Later, wanneer we een eigen gebouw mogen stichten, zullen we pas in staat zijn, deze herinnering aan de jaren 1940-1945 zodanig te plaatsen, dat aan de eisen der aesthetica is voldaan en de namen ons toch dagelijks herinneren aan de gruwelijke jaren, die achter ons liggen.
Klein en stil worden we, wanneer we maar even met open hart ons keren tot deze doden — enkele slechts van de duizenden, die met hen vielen. ‘t Liefst zoude ik zwijgen en in de stilte iets pogen te verstaan van de zin van dit heengaan, van al dit leed, van al deze ellende.
Wij willen dan allereerst gedenken. Gedenken hoe ze waren, hoe ze nog in onze herinnering voor ons staan:

 

Lou van Dam
Theo van Gogh
Gijs Gorter
Bram Hamel
Sannie Hamel
Dick van Heijningen
Jan Bart van Mesdag
Hugo de Miranda
Ernst Woutman
Jan van Zutphen

Lou van Dam.
Ik zie hem nog voor mij zoals hij steeds vragen stelde bij zijn worstelen met de stof. Zuiver zoekend was zijn gezicht, diep wilde hij op alles ingaan. Later, toen hij reeds van school was, kwam hij vaak even aan om te praten: steeds was zijn belangstelling in wijsgerige en sociale vragen levend en ernstig. Het is niet te begrijpen, dat hij in een vernietigingskamp is verdwenen. Van zijn familie heb ik niemand kunnen terugvinden.

Theo van Gogh.
Theo, hem zien we in onze herinnering steeds samen met Gijs Gorter. Het waren onafscheidelijke, trouwe vrienden ondanks hun grote verschillen. Theo was een stille en wat gesloten natuur; maar niemand kon twijfelen aan de zuiverheid van zijn persoonlijkheid. Hij en Gijs behoorden tot de toentertijd nogal aangevochten leerlingengroep, die idealen stelde en er voor streed. Gijs als de openlijk hartstochtelijke belijder, terwijl Theo stil en trouw zijn weg ging.
Ik zag Theo voor ‘t laatst in de Albertus Perkstraat enige dagen, nadat hij voor de tweede maal uit de handen der Duitsers was teruggekeerd; nog met een kaal geknipt kamphoofd. De glimlach, de oogopslag en het woord: „Het gaat best” vergeet ik nimmer. Ik wist dat hij veel illegaal deed en was bang voor zijn lot.

Gijs Gorter.
Wie zal je lach vergeten, de lach, die in ‘t ernstigste gesprek, plotseling kon daveren door de school? Wie zal vergeten de diepe belangstelling voor alles wat met onze cultuur samenhangt. Ik bewaar de beste herinneringen van mijn leraarswerk aan de lessen in de natuurkunde, die ik aan de vijfde klasse van Gijs mocht geven, en waar ik niet gebonden was aan een scherp geformuleerd programma. Hoe hebben we daar gepeild in de problemen van de moderne natuurwetenschap en de daarmee samenhangende vragen van wereld- en levensbeschouwing. De daar betoonde brandende belangstelling heb ik nooit meer ervaren. Als student stak hij door zijn persoonlijkheid ver uit boven anderen. Als moedig strijder kende hij de trouw tot in de dood.

Hoe arm is ons volk en daarmee de wereld geworden nu ons jonge mannen, jonge zoekers als Lou van Dam, Theo van Gogh en Gijs Gorter zijn ontvallen.

Bram Hamel en Sannie Hamel.
Deze beiden zijn ons alleen als onderbouw-leerlingen bekend en wij hebben geen herinnering aan hen, als zich ontplooiende persoonlijkheden, waar de wordende mens reeds kenbaar wordt.

Dick van Heijningen.
Hem zien we nog duidelijk voor ons als een open, opgewekte en sportieve knaap. Geen zoeker, wel een man van de actieve daad. Het type, dat de wereld intrekt om als technicus, geoloog of vlieger de Hollandse naam hoog te houden. Ook van hem kan ik nog steeds niet geloven, dat hij er niet meer is. Hoe schokkend was in onze buurt het nieuws, dat de bezetter hem uit zijn schuilplaats had gehaald; hoe tergend lang duurde het, eer de onzekerheid, de martelende onzekerheid, overging in het weten, dat hij niet meer terug zou keren van de dodenschepen in de Oostzee.

Jan Bart van Mesdag.
Hij was een lastige knaap op school. Hij had zijn omgeving volkomen „door” en heel zijn gedrag droeg het kenmerk daarvan. Ik zie hem nog voor me, zoals hij in ons school-gebouw in de Violenstraat was, waar juist zijn gevatheid en intelligentie hem toch veel sympathie van ons bezorgde. In de jaren dat hij opgroeide tot jonge man hebben we hem niet gekend, maar het feit, dat hij dienst nam aan de overzijde om voor onze bevrijding te strijden, zegt genoeg. In deze dienst als vlieger liet hij op een solovlucht het leven.

Hugo de Miranda.
Ik zie hem nog komen. Wat schuw en stil. Soms ook moeilijk in de omgang. Maar in latere jaren ontwikkelde zich een intelligente leerling uit hem, die onbarmhartig ieders waarde onderscheidde, en die ook uitstekende resultaten kon behalen. Zijn mondeling examen in mechanica zal ik nooit vergeten om de rust, waarmede hij de klippen omzeilde en zijn inzicht toonde. Later, toen de bezetter reeds ons volk overheerste, kwam hij uit Rotterdam nog wel eens praten, maar het leek soms of hij de naderende onheilen voorvoelde, zo zonder lust als hij vaak over zijn studie sprak. Groot was ons afgrijzen toen bekend werd, dat hij met zijn broer, op weg naar Zwitserland, was gevangen genomen, en in een kamp was „geliquideerd”.

Ernst Woutman.
Ook hem hebben we zien groeien van onderbouw-knaapje tot jonge man. Zacht was zijn persoonlijkheid. Scherp zijn vooral wiskundig inzicht, wanneer hij zich even de moeite gaf. Gevormd was hij nog lang niet toen hij ons verliet. Er kon nog van alles uit hem groeien, maar beloven deed hij veel. Hij stierf voor het vuurpeloton. Twee van zijn drie broers beleefden evenmin de bevrijding. Diep voelen wij, hoe zijn familie meer offerde dan de meesten van ons.

Jan van Zutphen.
Kort was hij bij ons op school. Soms als leerling niet gemakkelijk, maar sportief. Hij reed mee in de elfstedentocht, zeilde voortreffelijk en had in zich de hardheid van de doorzetter. Deze laatste eigenschap deed hem naar Engeland oversteken; maar hij werd opgepikt en naar Rotterdam gebracht. Daarna is er niets meer van hem bekend.

Wij gedenken hen allen als slachtoffers van een afschuwelijke vijand. Wij willen hun lijden en sterven gedenken.
Wij denken aan Lou van Dam, Bram en Sannie Hamel, Hugo de Miranda in de afschuwelijkheid der kampen, aan Theo van Gogh, Gijs Gorter, Ernst Woutman en waarschijnlijk Jan van Zutphen voor het vuurpeloton, aan Dick van Heijningen op een der ongelukkige dodenschepen in de Oostzee, aan Jan Bart van Mesdag, stervende als vlieger. Wij willen de herinnering aan hun sterven in ons levend houden, wij willen hen niet vergeten. Wij willen dagelijks aan hun offer en daarmee aan de vele duizenden offers denken, die het mogelijk maakten, dat wij hier in vrijheid bijeen zijn. Wij willen ons telkens herinneren, dat wij in vrijheid leven dank zij hun bereidheid te strijden en te offeren. Wij willen op gedenkdagen stil zijn, aan hen denken en onder hun namen bloemen leggen.
Allereerst om in ons de plicht der dankbare herinnering levend te houden. Doch dat is het niet alleen. Het is niet, omdat wij in deze school toch niet achter wilden blijven en óók onze gedenksteen wilden hebben, omdat dit nu eenmaal mode is. Neen, veel dieper zit de grond der bereidheid van ons allen om hieraan mee te doen. Immers deze steen zal ons herinneren, aan wat wij verloren en hoe we ‘t verloren.
Het hoe kan onze bitterste haat opwekken tegen de onderdrukker en daarnaast ontzetting voor wat mensen kunnen misdoen. Ontzetting voor de gruwelijke kanten van het mensenhart, wanneer de remmen zijn weggenomen en geen liefde, geen waarheid, geen recht ons leven regeren, maar machtswaan, genotzucht en hebzucht ons tot erger dan beesten maakt.
Het hoe kan ons dan leren, dat alles wat in de mens de genotzucht, de hebzucht en de machtsbegeerte versterkt, de mens en de mensheid te gronde zal richten. Ook ons, de nu levenden. Het hoe zal ons deemoedig moeten leren verstaan, wat wél de leidende krachten behoren te zijn in ons persoonlijk leven en daarmee in ons gemeenschapsleven. Recht zal moeten worden gezocht en geëerbiedigd; niet macht. Liefde en mededogen zullen ons tot daden van offer moeten leiden. De meeste is, wie ‘t beste dienen kan.
En wanneer we ons herinneren wie we verloren, dan voelen we ons arm en eenzaam achtergebleven in een wereld, waarin we hun krachten zozeer van node hebben.
Geneigd zijn we dan moedeloos te worden en te menen niet verder te kunnen. En toch: zo kan de opdracht niet luiden, die stervende menige strijder heeft gefluisterd of gedacht. Beter zal het moeten worden en voor die taak staan wij: ouderen en jongeren. Ik voel in alle gedenktekenen een opdracht aan ons allen. Aan de jeugd, dat zij het beter moeten doen, dan de oudere generatie het deed. Aan ons ouderen, om met de jeugd samen de hand aan de ploeg te slaan. De jeugd zit vaak vol kritiek en heeft ook vaak gelijk. Doch kritiek is juist, wanneer we maar niet menen ervan te kunnen leven. We moeten ook durven doen en dan beter. Wij ouderen weten van waarden, waar de jeugd vaak geen oog voor heeft. En toch — we staan samen voor de taak. We moeten verder en we moeten — want we kunnen niet anders — trachten ‘t beter te doen. We moeten samen gaan, jullie jongeren en wij ouderen, omdat we elkaar nodig hebben, jullie óns gerijpter inzicht, wij jullie élan en jeugdige kracht.
Moge daarom mijn laatste woord zijn, nu een woord van troost tot U, die in deze tien gevallenen dierbare naasten betreurt.
Troost moet ‘t U geven, wanneer U weet, dat ongetelde malen de ogen van ons allen op de steen zullen rusten en we ons telkens zullen herinneren hoe zij hun taak, zoals ze zich die stelden in de bitterste tijden van ons volksbestaan, hebben volbracht tot het eind.
Dan zullen we daaruit de aansporing en de wil ontvangen, onze taak met moed en zonder versagen te volbrengen naar onze beste krachten.

Na deze toespraak begaven genodigden, bestuursleden, leraren en oud-leerlingen zich naar de gedenksteen in de gang. Nadat Dr W. Kraak passende cellomuziek had gespeeld, werd deze steen door Henk Ras, één der oud-leerlingen, onder eerbiedige stilte onthuld. De plechtigheid werd besloten met het leggen van bloemen en het gemeenschappelijk zingen van het Wilhelmus.

Share